Add to favourites
News Local and Global in your language
22nd of July 2018

Laatste Nieuws



Dirk Kome treedt in de voetsporen van plaggenhutfotograaf Tonnis Post

Dirk Kome, Kar, Oude Pekela, 2017

Opeens hebben de bomen bladeren. Gaat het buurmeisje studeren. En moeten de ramen alwéér gelapt. Mensen zijn slecht in het waarnemen van langzame transformaties. We raken afgeleid, geloven het wel, en pas als we een half uur, een dag of een half jaar later opnieuw kijken, blijkt een uitzicht plots veranderd. De tijd heeft ons om de tuin geleid. Wat een geluk dat we veranderingen kunnen vastleggen in beelden, dan zie je ze in één oogopslag. Dat zien geeft voldoening. ‘Zoek de zeven verschillen’ in het puzzelboek, ‘voor en na: tien kilo lichter in drie weken’ in de advertentie. De klassieker van de stad voor en na een catastrofe of simpelweg na lange tijd. Op twee foto’s naast elkaar in de krant of, het ultieme moderne genot, in één beeld op je scherm, waarbij je met de muis de tijd heen en weer kunt schuiven.

Fotograaf Dirk Kome (1976) houdt ook van die sluimerende rigoureuze verandering. Transformaties die je ziet dankzij zijn foto’s. Op de kunstacademie begon hij met het fotograferen van zijn ouders en broer op hun boerderij in Zeeland. Ze waren zo gewend aan zijn aanwezigheid met zijn camera dat ze hun dagelijkse routine vervolgden terwijl hij foto’s maakte. Vijftien jaar later is veel veranderd in huize Kome. Hoewel de broer nog steeds thuis woont is hij gestegen in de gezinshiërarchie, de ouders zijn grijzer en strammer, en ook de boerderij veroudert, de natuur woekert. Zonder dat expliciet dezelfde foto’s zijn gemaakt zie je de verandering in Kome’s serie. Ook zijn nieuwe gezin, dat met zijn vriendin en hun drie dochters, verandert op die manier, en volgt Kome met zijn camera.

Maar zijn nieuwste project begon met bestaande foto’s. Gemaakt door Tonnis Post (1877-1930), een fotograaf in Oost-Groningen in een tijd dat er daar nog maar weinig van waren. Zijn naam is nooit erg bekend geweest, maar een aantal foto’s is wereldberoemd: die van de plaggenhutten. Foto’s van een paar gezinsleden in hun zondagse goed opgesteld voor hun hut. Het dak steekt nauwelijks boven de volwassenen uit, zelfs de grote kinderen moeten bukken voor de deur. Op dat dak een paar dakpannen, twee verschillende kozijnen aan de voorkant, verder overal plaggen, aarde, armoede.

In Fotomuseum Den Haag is nu een tentoonstelling van zo’n vijftig foto’s van Post te zien, aangevuld met een zoektocht van Kome naar de mensen en gebouwen uit de foto’s van Post in het Groninger land. Hij maakte er zelf ook foto’s die hij stuk voor stuk naast die van Post presenteert. In een bijbehorend boek schrijft hij over de achtergronden van de mensen en de plaatsen op de foto’s. En dan volgt nog een verslag van zijn zoektocht naar het leven van Tonnis Post zelf.

Dat klinkt als een stortvloed van onderzoek die hedendaagse kunstenaars wel vaker zonder veel redactie over hun publiek uitstorten. Kome weet de informatie in het museum te beperken tot korte, soms cryptische omschrijvingen, maar zijn foto’s zijn het interessantst, die laten het meest ruimte voor eigen interpretatie. Er hangt in het museum telkens één foto van Post naast één van Kome in lijsten van gelijke grootte. De foto’s van Post hebben de charme die oude foto’s eigen is, die van verstreken tijd en levens. Tegelijk vertellen ze, ook zonder extra achtergrondinformatie, een beklemmend verhaal. Dat van de slechte leefomstandigheden op het platteland, een leven ingestopt in bedstedes, dikke lagen kleding en onder de rook van fabrieken en een enkele auto, daartussen af en toe een kind of familie uit een rijkere bevolkingsgroep. Stuk voor stuk ernstige, trotse blikken gericht op ons, de toeschouwers. Ook als de foto’s niet in zwart-wit waren geweest, had grijs overheerst.

Kome is voor zijn eigen fotoproject, waarbij hij en passant steeds meer van Posts foto’s in handen kreeg, op zoek gegaan naar diezelfde plekken, bruggen, boerderijen en fabrieken, en naar afstammelingen van de geportretteerden. Soms vond hij ze, maar koos dan gelukkig niet de voor- en nafoto’s. Naast een van Posts plaggenhutfoto’s hangt Kome zijn foto van een zandhoop aan de rand van een weiland. In volume ontlopen de zandhoop en de hut elkaar weinig. Soms vermoed je een familieverwantschap, soms, zoals bij een inmiddels verlopen café naast een foto van iets dat lijkt op een introductieles ehbo in de open lucht, lijkt het op hetzelfde gebouw. Soms zijn er wel echt zichtbare overeenkomsten. Een kinderstoeltje, van waaruit op een foto van Post een peuter vragend in de lens kijkt, staat op een foto van Kome verlaten tussen de rhododendrons. ‘Stoeltje van moeder’, is zijn cryptische bijschrift. Omdat we zo graag overeenkomsten willen zien, maak je meteen associaties tussen de twee beelden, zelfs als die overeenkomsten er niet expliciet zijn. En zo krijgen de oude foto’s een ongebruikelijke frisheid.

Ze bouwden een woning in het veen, waar zes kinderen werden geboren, een hut van 3,10 bij 2,80 meter, 1,60 hoog

In het boek vertelt Kome de verhalen die hij achter de foto’s ontdekte vanuit het ik-perspectief. We lezen dat hij ergens tussen Klein-Ulsda en Booneschans met zijn auto in de berm bleef steken. Hij probeerde weg te rijden, groef zich daarbij alleen maar dieper in de klei. Een jongen op een fiets schoot te hulp, kwam even later terug met een trekker. Toen de auto weer op de weg stond, raakten ze aan de praat. De reden dat Kome in de berm was gestopt was de vervallen arbeiderswoning in het veld: een van de personen die Kome onderzocht, Jacobus Perton, had honderd jaar geleden in het huisje gewoond. De woning bleek van de trekkerjongen te zijn. Oude familiefoto’s? Geen idee. Een maand later was Kome weer in de buurt, belde bij de jongen aan en die kwam met een blik vol foto’s. Elf waren er gemaakt door Post.

Ook achterhaalt Kome het verhaal achter een van de plaggenhutfoto’s. Op 39-jarige leeftijd trouwde weduwnaar Leonard van der Sluis met de tien jaar jongere weduwe Hinderkien. Bij elkaar hadden ze toen al tien kinderen. Samen bouwden zij een woning in het veen, waar nog zes gezamenlijke kinderen werden geboren. Het was een hut van 3,10 bij 2,80 meter, 1,60 hoog.

Tonnis Post, Van der Sluis, 1913 © Nederlands Openluchtmuseum

Een sprong in de tijd, naar de ‘staking 1929’, in Het Oldambt. Arbeiders in Oost-Groningen kregen op dat moment de laagste lonen van Nederland en eisten een loonsverhoging van tien procent. Op 1 mei 1929 begonnen zo’n tweeduizend landarbeiders met een staking, op het hoogtepunt waren er vijfduizend stakers. De boeren, hun bazen, gaven geen krimp en huurden andere werknemers. De stakers moesten hun eisen na een paar maanden weer intrekken en een jaar later gingen de lonen alsnog omhoog.

De details die Kome ontdekte zijn indrukwekkend, net als zijn vasthoudendheid. Maar zo in flarden opgeschreven, zonder een duidelijke samenhang – behalve dat alle mensen voor de camera van Post hebben geposeerd – is het vooral alsof je een omgekeerde kaartenbak doorkijkt. Al die losse feiten maken nog geen verhaal, en daar veranderen de persoonlijke opmerkingen van Kome weinig aan.

Anders is dat bij het laatste deel van het boek, waarin Kome het levensverhaal van Tonnis Post reconstrueert. Het is inhoudelijk geen spectaculair verhaal, maar het maakt wel duidelijk hoe fotografie begin twintigste eeuw ook op het platteland op steeds meer gebieden werd ingezet. Post komt uit een eenvoudig gezin, als enig kind kan hij een jaar studeren. Op zijn twintigste, in 1897, gaat hij naar Academie Minerva, de Groningse kunstacademie, waar ook fotografie wordt onderwezen. Daarna verhuist zijn familie naar Winschoten en kan hij daar, na een tijdje als assistent te hebben gewerkt, een foto-atelier overnemen.

De aanloop naar Posts beroemdste foto’s komt via Pieter Bloemers Middendorp, huisarts en armendokter in Westerwolde die zich het lot van de bevolking aantrekt. In 1913 bezoekt hij in Scheveningen een woningcongres en ziet hoe verhelderend foto’s kunnen zijn voor het tonen van misstanden aan een breder publiek. Terug in Groningen huurt hij Post in, en gaat samen met hem bij de mensen langs. In het tijdschrift Het groene en witte kruis schrijft hij een artikel met de titel Versche lucht en zonlicht in onze woning, waarin hij uitlegt hoe een gebrek aan verse lucht een overvloed aan ‘koolzuur’ veroorzaakt en dat de bedorven lucht het lichaam vergiftigt. Juist de bedstee is, vanwege de permanente isolatie, de slechtste ruimte. Middendorp trekt rond en geeft lezingen, vergezeld van dia’s van Post. Zo krijgen de foto’s van Post steeds meer bekendheid, zonder dat de naam van de fotograaf er ooit specifiek bij wordt genoemd.

Het is jammer dat Kome alle teksten zelf heeft willen schrijven en er geen breder historisch perspectief bij geeft. Verhalen schrijven gaat hem duidelijk minder makkelijk af dan fotograferen. Anders dan in zijn beelden heeft hij de neiging met woorden alles uit te leggen, in te vullen. Maar over de veranderingen in het leven in Oost-Groningen in de afgelopen honderd jaar heeft hij zijn gevoel weten te delen. Het is er stil geworden: de grote groepen arbeiders op het land en in de fabrieken zijn verdwenen, samen met de plaggenhutten. Dankzij Kome zijn er foto’s die die leegte hebben vastgelegd. Niet altijd een prettig resultaat, wel een grote verdienste dat die langzame transformatie nu zichtbaar is.

Dirk Kome toont Tonnis Post: Fotograaf van de vooruitgang, t/m 9 september in Fotomuseum Den Haag

Read More




Leave A Comment

More News

TROUW: Home

De Groene Amsterdammer

VK: Home

PAROOL: Home

NU - Algemeen

RTV Noord: Het laatste

Disclaimer and Notice:WorldProNews.com is not the owner of these news or any information published on this site.