Add to favourites
News Local and Global in your language
22nd of July 2018

Laatste Nieuws



Naar welk verleden keren de VS van Donald Trump terug?

Her hijsen van de nieuwe swastikavlag aan boord van de SS Bremen, gelegen in de Hudson, New York, 17 september 1935 © Jimmy Condon / NY Daily News Archive via Getty Images

Gekrenkte trots, zo hoef je eigenlijk niet meer uit te leggen, is een belangrijke drijfveer in de politiek. Op 26 juli 1935 legde de SS Bremen, een van de snelste oceaanstomers van zijn tijd en de trots van het Derde Rijk, aan in de haven van New York. De stad was onrustig gedurende die zomer. De machtsovername door de nazi’s gaf aanleiding tot gewelddadige confrontaties op straat tussen tegenstanders en bewonderaars van Aldolf Hitler. Terwijl de Bremen voor anker lag, klommen vijf demonstranten aan boord, trokken de swastikavlag los en gooiden die in de Hudson.

Het incident werd door de nazi’s aangegrepen om diplomatieke stampij te maken. Het Amerikaanse State Department, toen nog gebrand op goede relaties met de nieuwe Duitse machthebbers, stuurde een verontschuldigend telegram naar Berlijn. De kou, wat de vlagschending betrof, leek uit de lucht. Totdat Louis Brodsky bij de zaak betrokken raakte. Brodsky was een New Yorkse magistraat met een uiterst liberale reputatie. Naaktdanseressen die in nachtclubs werden opgepakt werden door Brodsky op vrije voeten gesteld. Toen een aanklager de verspreiding van pornografische lectuur via de rechter probeerde te verbieden, wees Brodsky de zaak van de hand. Ook het vijftal dat de Bremen had bestormd werd bij hem voorgeleid en kon op coulance rekenen. Het hakenkruis was de ‘zwarte vlag van piraterij’, schreef Brodsky ter motivering van zijn vrijspraak. Voorzover er sprake was van een vergrijp viel dat in het niet bij het regime dat de swastika voerde. Nationaal-socialisme, aldus Brodsky, was een ‘stap terug naar pre-middeleeuwse, zo niet barbaarse, sociale en politieke omstandigheden’.

Opnieuw een woedend Berlijn, dat zich ditmaal dubbel getergd achtte vanwege Brodsky’s joodse achtergrond en opnieuw verontschuldigingen eiste van de Amerikaanse regering, die zich van Brodsky distantieerde. In september 1935 namen de nazi’s wraak. ‘De rechter Broudski (sic) in New York heeft onze Duitse nationale vlag beledigd’, schreef Josef Goebbels in zijn dagboek kort voor de partijbijeenkomst in Neurenberg, waar de twee beruchte rassenwetten werden uitgevaardigd. De derde Neurenbergwet, die vaak ongenoemd blijft, werd bedacht met Brodsky in het achterhoofd. ‘De Rijks en Nationale vlag is de Swastika vlag. Het is ook de vlag voor koopvaardij’, luidde paragraaf 2 van de Rijksvlaggenwet die samen met de Rijksburgerschapswet en de Wet ter Bescherming van het Duitse Bloed en de Duitse Eer werd aangenomen. Met rijen swastika’s op de achtergrond haalde Hitler in zijn rede het incident met de SS Bremen aan en prees de regering-Roosevelt voor haar ‘keurige en eerlijke’ afkeuring van Brodsky.

In het licht van de oorlog tussen de Verenigde Staten en nazi-Duitsland die zou volgen is dit verhaal wellicht een voetnoot in de geschiedenis. Zoveel geeft de Amerikaanse rechtswetenschapper James Q. Whitman toe in zijn boek Hitler’s American Model: The United States and the Making of Nazi Race Law, dat is opgedragen aan Brodsky. Maar als symbool heeft het een enorme zeggingskracht. Over hoe een klein incident wereldhistorische gebeurtenissen aanjaagt, bijvoorbeeld, maar ook omdat het laat zien dat de gebeurtenissen in Duitsland in de jaren dertig verknoopt zijn met de Verenigde Staten op een manier die oncomfortabele vragen oproept.

Hitler’s _American__ Model_ legt in detail bloot hoe, vóór 1940, nazi-Duitsland met grote interesse naar de overkant van de Atlantische Oceaan keek en inspiratie opdeed voor de manier waarop raciale waanbeelden van een juridisch fundament konden worden voorzien. Ook nu het boeken regent waarin parallellen worden getrokken tussen de jaren dertig en het Trump-tijdperk blijkt deze geschiedenis zich slecht in het Amerikaanse zelfbeeld als land van vrijheid te voegen.

Dat Hitler een fascinatie voor Amerika had, is bekend. Biografen hebben veelvuldig opgetekend hoe hij, zoals velen van zijn generatie, de avonturenboeken van Karl May verslond. In Mein Kampf schrijft Hitler in lovende termen over hoe de Amerikaanse kolonisten ‘de miljoenen Roodhuiden hebben omgelegd totdat er nog maar een paar honderdduizend over zijn’. Deze passage voedt de breed gedeelde overtuiging onder geschiedwetenschappers dat, zoals de historicus Norman Rich het verwoordt, ‘het beleid van Westwaartse expansie, waarbij witte mannen de oorspronkelijke bevolking genadeloos opzijschoven als “inferieur”, diende als model voor Hitlers opvatting van Lebensraum’.

De obsessie met sport, Hollywood, het productiemodel van Henry Ford – er was veel aan Amerika dat bij de nazi’s bewondering afdwong. Tegelijk wekte Amerika afkeer: New York gold vanwege zijn progressieve universiteiten en joodse gemeenschap als een verdorven oord, jazz was ontaarde muziek. In de ogen van Hitler en zijn aanhang was Amerika een voorbeeld zolang het om de cultuur van het Witte, Anglo-Saksische, Protestantse Amerika ging. En het was in de pogingen deze wasp-dominantie te verstevigen dat de Verenigde Staten gunstig werden bezien. In Mein Kampf noemt Hitler Amerika instemmend het enige land dat erin is geslaagd ‘bepaalde rassen van naturalisatie uit te zonderen’. De VS zijn het ‘sterkste decorstuk in de strijd van het Arische ras voor wereldoverheersing’, merkte een nazi-historicus halverwege de jaren dertig op. In de nieuwe wereld zagen de nationaal-socialisten iets waar zij naar streefden: een politieke orde gebaseerd op het idee van superioriteit van het witte ras.

Die geschiedenis ging terug tot 1691, toen Virginia als eerste staat een wet aannam om het idee van rassenvermenging tegen te gaan. In 1790, toen het eerste Amerikaanse Congres bijeenkwam, verklaarden de wetgevers dat naturalisatie open stond voor ‘iedere vreemdeling, zijnde een vrij en wit persoon’, een regel die zich voegde bij een grondwet die slavernij faciliteerde. Aan het einde van de negentiende eeuw kwam een wetgevingsproces op gang waarin de gewenste bevolkingssamenstelling in de Verenigde Staten in detail langs raciale en nationale indelingen werd vastgelegd. In 1882 volgde de federale overheid het voorbeeld van Californië en nam een wet aan om immigratie van Chinezen te beperken. Er volgde een Japan-wet en in 1917 nam het Congres de barred zone act aan die grote delen van Azië en het Pacifisch gebied aanmerkte als gebied waaruit de bevolking ongewenst was. De Immigratiewet van 1924 stipuleerde dat ‘Noordelingen’ uit Noord- en West-Europa te verkiezen waren boven de ‘onzuivere rassen’ uit Oost- en Zuid-Europa, inclusief joden. Aan het begin van de twintigste eeuw was ‘Amerika de wereldleider in racistische immigratiewetgeving’, zo concludeert James Q. Whitman in Hitler’s American Model.

New York gold vanwege zijn joodse gemeenschap als een verdorven oord, jazz was ontaarde muziek

In die hoedanigheid trokken de Verenigde Staten belangstelling in Europa. In negatieve zin, zoals in het geval van de Franse socialist en Amerika-kenner André Siegfried, die zich in zijn werk uit de jaren 1920 verontrust uitliet over het gelegaliseerde racisme dat hij aantrof in de Amerikaanse samenleving. Anderen zagen juist een lichtend voorbeeld. De publicist Theodor Fritsch, een belangrijke aanjager van antisemitisme in Duitsland en later lid van de SA, opende zijn Handboek voor de joodse kwestie uit 1893 met een beschrijving van de Verenigde Staten als een land dat tot het inzicht was gekomen dat rassengelijkheid een verkeerd uitgangspunt is. ‘Amerika, gedrenkt in ideeën van vrijheid en gelijkheid, heeft tot nu toe gelijke rechten toebedeeld aan alle rassen. Maar het ziet zichzelf genoodzaakt om haar opstelling en wetten te veranderen en restricties in te voeren voor Negroïden en Chinezen’, schreef Fritsch. Zijn handboek beleefde in 1944 de 49ste druk.

Het zijn dit soort verbanden tussen Hitler-Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika die James Q. Whitman onderzoekt in Hitler’s American Model. Hij gaat daarin een stap verder dan de stelling van eerdere historici dat de parallellen tussen de Amerikaanse en nazistische rassenwetten een kwestie van oppervlakkige verwantschap zijn, ontstaan in een tijd waarin racisme en antisemitisme een wereldwijde plaag waren. Duitse juristen bestudeerden de Amerikaanse wetgeving systematisch, in een periode waarin de politiek in Duitsland volop in beweging was.

De Jim Crow-wetten die vanaf eind negentiende eeuw in de Zuidelijke staten segregatie tussen wit en zwart regelden, werden in debatten tussen juristen opgevoerd als bewijs dat het bewaken van raciale scheidslijnen een normale wens was. In Neues Volk, een nsdap-tijdschrift, verschenen artikelen waarin Amerikaanse rassenpolitiek tot in detail uit de doeken werd gedaan. Nazi’s zochten verschillende dingen in Amerikaanse wetsteksten, zo betoogt Whitman: een manier om woekerend racisme en geweld tegen joden van legaliteit te voorzien, bewijs voor zichzelf en naar buiten toe dat rassenwetten een alledaags verschijnsel waren. Voor hen was Amerika een bron om uit te putten.

Hitlers Amerikaanse model is, uiteindelijk, onderdeel van de voorgeschiedenis van de Neurenbergwetten. In zekere zin ging de Duitse fantasie van raciale puurheid minder ver dan de Amerikaanse, waarin one drop of negro blood het criterium was voor classificatie als Afro-Amerikaan, inclusief de inferieure rechtspositie die daarbij hoorde. Hitlers wetsopstellers vonden dat te strikt en werkten de wet uiteindelijk zo uit dat iemand met één of meer joodse grootouders gold als van ‘gemengd bloed’.

Toeschouwers tijdens een naziparade in New York, jaren dertig © George Rinhart / Corbis via Getty Images

De Duitse invulling van tweederangsburgerschap en een verbod op huwelijken en seksuele relaties tussen verschillende raciale groepen had haar oorsprong in het zogeheten ‘Pruisisch memorandum’, een document waarin radicale nazi-juristen pleitten om ‘rassenverraad’ strafbaar te stellen. Om hun argument kracht bij te zetten kozen ze twee voorbeelden: de middeleeuwse verdrijving van joden uit Frankrijk en Engeland, en de Zuidelijke staten in Amerika. Op 23 september 1935, acht dagen na de bijeenkomst in Neurenberg, vertrok een ander schip naar de VS, de SS Europa, met aan boord een delegatie van de Vereniging van Nationaal-Socialistische Duitse Juristen die op studiereis ging.

Een historicus als James Q. Whitman is geen eenzame rebel die vanuit de krochten ‘weg met ons’-geschiedwetenschap bedrijft. Er bestaat een kleine maar diepgaande historiografie die Amerikaanse invloeden op het Derde Rijk in kaart brengt, specifiek op het gebied van rassenleer en eugenetica. Samen vormen ze, zoals Whitman zijn boek afsluit, ‘een donkerder beeld van het Amerika aan het begin van de twintigste eeuw dan we wellicht wensen’. Dat deze geschiedenis plotseling in de belangstelling is komen te staan heeft met de wisseling van de wacht in Washington DC te maken. Whitman begon zijn boek in 2014. Het verscheen een half jaar nadat Donald J. Trump tot president van de Verenigde Staten was benoemd, voor velen aanleiding om zich af te vragen of ‘donkerder dan gewenst’ niet ook voor het Amerika van nu geldt.

Trumps critici zien hem, in het minste geval, als een stille gedoger van wit supremacisme en in het ergste geval als een aanjager ervan. Vorige maand werd in Virginia Corey Stewart gekozen tot Republikeinse kandidaat voor de Senaat. Stewart is een politicus die de confederate flag omarmt als symbool van trots en fel gekant is tegen het verwijderen van een standbeeld van General Lee. Stewart is niet tot dit standpunt gekomen omdat hij vindt dat Amerika zijn pijnlijke verleden niet moet willen wegpoetsen. Lee, tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog legeraanvoerder van de Zuidelijke staten die de slavernij wilden behouden, is volgens hem een ‘great American’ en wie het standbeeld van de sokkel wil halen heeft volgens hem ‘geen respect voor ons erfgoed’. Stewarts kandidatuur werd enthousiast gesteund door Donald Trump.

Hoe dan ook is sinds de verkiezing van Trump een masker van de Verenigde Staten getrokken. De betogers van de unite the right-mars in augustus 2017 in Charlottesville pleitten openlijk voor een ‘etno-staat’ met een louter witte bevolking. Op die manier wordt de Amerikaanse geschiedenis van eind negentiende eeuw weer opgepakt. Het was in dat tijdvak dat de Amerikaanse raciale wetscategorieën werden aangescherpt en een politieke wetenschapper als J.W. Burgess, verbonden aan Columbia University in New York, de lof zong van de ‘etnisch homogene staten’ die als gevolg van Brits imperialisme waren ontstaan in Canada, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten. ‘Neonazi’s’ werden de Charlottesville-marcheerders genoemd. Dat etiket suggereert dat historische beïnvloeding tussen Europa en de VS maar één kant op gaat. De extreem-rechtse demonstranten, met volgens Donald Trump ‘very fine people’ in hun gelederen, zijn net zo goed neo-Amerikanen.

De zoektocht naar hoe de geschiedenis zich niet zozeer herhaalt als wel op een lelijke manier rijmt (een Amerikaanse volkssport sinds halverwege 2016) heeft opmerkelijke parallellen onder de aandacht gebracht. Toen Trump op de proppen kwam met ‘America first’ duurde het niet lang voordat er in krantenartikelen op werd gewezen dat die slogan afkomstig was van het in 1940 opgerichte America First Committee dat onderdak bood aan nazisympathisanten en zich verzette tegen Amerikaanse inmenging in het aanzwellende conflict in Europa. Het is moeilijk om in Trumps klacht dat Amerika migranten ontvangt uit ‘shithole countries’ niet de echo te horen van de barred zone act uit 1917.

‘Er is momenteel één staat die in ieder geval het voorzichtige begin heeft gemaakt van een betere orde’, schreef Hitler

Toen Benito Mussolini tienduizenden ambtenaren ontsloeg, deed hij dat onder de slogan ‘drenare la palude’ (inderdaad, ‘drain the swamp’). Dat voorbeeld staat in Madeleine Albrights pas verschenen boek Fascism: A Warning, net als de geheugenopfrisser dat het klakken van de hielen met de arm schuin omhoog gestoken, palm naar beneden, in 1892 werd ingevoerd als saluut waarmee Amerikaanse scholieren trouw zwoeren aan de star spangled banner. Nadat het werd gekopieerd door Italiaanse en Duitse fascisten werd het gebruik afgeschaft. Alt-right-icoon Richard Spencer, die een groep mannen toespreekt terwijl ze de Hitlergroet brengen en ‘Hail Trump’ roepen, laat zien dat het verleden zijn kronkelige weg naar de Trump-era gevonden heeft.

‘De olifant die over deze pagina’s dendert is, natuurlijk, Donald Trump’, schrijft Albright in haar boek, waarin de verschillende gedaantes waarin fascisme is opgedoken en opduikt worden behandeld. Voor haar is een fascist ‘iemand die zich sterk identificeert met de hele natie of een deel daarvan, zegt namens die groep te spreken, zich niet druk maakt om rechten voor anderen, en bereid is ieder middel – inclusief geweld – te gebruiken om haar of zijn doelen te bereiken’. Het is een actuele definitie die Albright kiest (‘als voormalig diplomaat ben ik vooral geïnteresseerd in daden, niet in labels’, zo licht ze toe), die lijkt bedacht om de olifant te vangen en hem in het hok te stoppen, samen met anderen, zoals Maduro, Erdogan, Poetin, Duterte en Kim Jong-un.

Albright, die op haar elfde in de Verenigde Staten arriveerde en die minister van Buitenlandse Zaken was tijdens de tweede regering-Clinton, kent de gevolgen van fascisme en weet dat Amerika daar niet immuun voor is. Ze beschrijft hoe in 1939, het jaar dat zij en haar familie Tsjechoslowakije ontvluchtten na de Duitse inval, de voorzitter van de German American Bund een ‘Sieg Heil’ roepende menigte van twintigduizend zielen toesprak in Madison Square Garden. Ze staat stil bij Huey Long, de succesvolle populist die campagne voerde met de slogan ‘every man a king’ en in 1935 werd doodgeschoten. Ze memoreert Hitlers bewondering voor Amerika. En toch, wanneer de jaren dertig ter sprake komen in Fascism: A Warning is dat voornamelijk om te waarschuwen tegen een ‘terugkeer naar het internationale klimaat waarin Amerika zich terugtrok van het wereldtoneel en landen nastreefden wat ze meenden dat hun eigen belang was’.

Een terechte waarschuwing, die laat zien hoe in de VS het verband tussen de jaren dertig en nu wordt gelegd. Amerika trok zich terug, het fascisme kon bloeien, Amerika keerde terug, het fascisme werd verslagen. Het is logisch dat Albright, die in Amerika veiligheid en een glansrijke toekomst vond, het land beschrijft als een plek die zijn interne tegenstelling altijd weet te overwinnen, maar het is de vraag hoe groot in dit verhaal precies de ruimte is voor ‘Hitlers Amerikaanse model’ en de vormende invloed die de jurisprudentie van ‘the land of the free and the home of the brave’ had op nazi-Duitsland.

Fascism: _A__ Warning_ is deels gebaseerd op groepsgesprekken die Madeleine Albright met haar studenten op Georgetown University voerde. Ze bespraken belangrijke vragen – Wat is een fascist? Kan er een fascistische machtsovername plaatsvinden in de Verenigde Staten? – en gaven doordachte antwoorden – ‘Fascisme voedt zich met sociale en economische grieven.’ Toch lijkt op basis van wat in het boek naar voren komt de vraag die een historicus als James Q. Whitman aansnijdt – In hoeverre keek nazi-Duitsland de kunst af van de VS? – geen gespreksonderwerp te zijn geweest. Als Albright, icoon van háár generatie Amerikanen, en haar studenten, Amerika’s toekomst, model staan voor hoe er over de loop van het verleden wordt gedacht, dan geldt fascisme als een Europese uitvinding die op verschillende plekken weer de kop opsteekt en misschien ook Amerika heeft besmet. Ook Albrights definitie van fascisme, die zich beperkt tot de vraag van machtsuitoefening en politieke vertegenwoordiging, past in dat kader.

Uiteindelijk is Albright , zoals velen, geïnteresseerd in wat je de ‘Lewis-kwestie’ zou kunnen noemen. Hetzelfde geldt voor de googelaars die ervoor zorgden dat in 2016 ‘fascisme’ het op één na meest geraadpleegde lemma was van het Merriam-Webster online woordenboek (nummer één was ‘surrealistisch’). Sinclair Lewis’ boek It Can’t Happen Here (1935) verscheen meteen in herdruk toen de opmars van Trump begon. Sindsdien wordt het verkocht als gids voor deze tijd. Lewis’ fictieve autocraat Buzz Windrip was gemodelleerd naar Huey Long, maar vertoont markante overeenkomsten met Trump. De ‘het zal allemaal wel meevallen’-houding van een gezapige orde die Sinclair beschrijft zou een omineus signaal voor nu zijn en de arbeiders die Windrip mobiliseert zouden de literair-historische evenknie zijn van de Trump stemmende white working class.

De Lewis-kwestie wordt ook behandeld door een kleine twintig denkers in Can It Happen Here? Authoritarianism in America (2018). De bundel is samengesteld door Cass Sunstein, hoogleraar op Harvard die onder Obama werkte als wet- en regelmaker, en bevat bijdragen van onder anderen Samantha Power, de voormalige Amerikaanse VN-ambassadeur, van de invloedrijke sociaal-psycholoog Jonathan Haidt en van Bruce Ackerman, een van de voornaamste experts op het gebied van de Amerikaanse grondwet. Onder de auteurs lijkt er consensus over te bestaan dat onder ‘it’ een autoritaire machtsovername moet worden begrepen, waarbij een gekozen leider de democratische instituties ontmantelt en zijn eigen machtspositie en die van zijn aanhang bestendigt op een wijze die democratische normen geweld aandoet. De uiteindelijke antwoorden op de vraag of dat in Amerika kan gebeuren lopen uiteen. Van ‘ja, misschien wel’ tot ‘nee, waarschijnlijk niet’. Die laatste conclusie trekt de econoom Tyler Cowen in zijn essay Could Fascism Come to America? Een grote, breed vertakte bureaucratie is uiteindelijk Amerika’s beste bescherming tegen ‘it’, redeneert Cowen. Andere auteurs ontlenen geruststelling aan de grondwet of aan het Amerikaanse federalisme waarin individuele staten een hoge mate van autonomie genieten.

Van de zestien auteurs is er één die de vraag wat ‘it’ betekent expliciet opwerpt. ‘Voor Lewis, die schreef in 1935, was “it” fascisme volgens Italiaans of Duits model’, schrijft Noah Goldman, die de Felix Frankfurter-leerstoel in recht op Harvard bekleedt. Hij noemt verschillende omstandigheden op waarin fascisme kon bloeien: zwak liberalisme en parlementarisme en economische malaise die de belofte van een radicaal alternatief aantrekkelijk maakte. Wat ontbreekt bij Goldman, net zoals in bijna alle essays over de vraag of ‘it’ in Amerika kan gebeuren, is een wijdverbreid geloof in de superioriteit van witte mensen en een juridische basis die rassenideologie legitimeert.

Het is, helaas, een open vraag of fascisme zonder racisme kan bestaan, maar in een bepaalde uitsnede van het Amerikaanse debat over hedendaags fascisme lijkt racisme stilletjes uit de definitie te zijn verwijderd. In het geval van Madeleine Albright met als doel om iets over dit moment in de Amerikaanse geschiedenis te zeggen, impliciet in het geval van de hoogleraren van Amerika’s beste universiteiten in Can It Happen Here? Dat is opmerkelijk, aangezien racisme een wezenlijk kenmerk was van het ‘Italiaanse of Duitse model’. Als een rassenleer een onmisbaar kenmerk is van fascisme, dan zou je de vraag die Tyler Cowen formuleert, ‘Could fascism come to America?’, kunnen beantwoorden met ‘it already did’, in een tijd dat Europees fascisme nog een ontluikende beweging was die inspiratie vond in hoe Amerika witte superioriteit wettelijk had verankerd.

Het kan zijn dat Amerika, zoals ieder land, de zwarte bladzijden van de eigen geschiedenis liever overslaat of meent dat ze in een ander boek staan. Het is immers, zoals James Q. Whitman schrijft in Hitler’s American Model, ‘bijna pervers’ om te denken dat de stamboom van het Europees fascisme uit de twintigste eeuw ook de Verenigde Staten beslaat. ‘We zien Amerika als de thuishaven van vrijheid en gelijkheid, en als kracht in de Herculische strijd tegen de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog’, schrijft Whitman. Dat idee hoeft geen bijstelling, maar simpelweg aanvulling. Als we aan Amerika denken, zal daar ook bij moeten horen dat een jonge Duitse korporaal in een woedend boek in bewonderende termen over Amerika schreef vanwege zijn ‘schat aan innovaties’. Die innovaties op juridisch gebied werden later geëmuleerd door het regime dat aan zijn brein ontsproot, in de opmaat naar genocide.

Wie over Amerika denkt, leest, schrijft of praat kan daar wat mee. Niet om aan zelfkastijding te doen (in het geval van Amerikanen) of om het imago van een natie die nog altijd door velen wordt bewonderd te bekrassen (in het geval van buitenstaanders of Amerikanen), maar om te begrijpen waarom de Lewis-vraag in de eerste plaats weer boven de Verenigde Staten van Amerika hangt. James Q. Whitman behoort tot de richting die meent dat het electoraal succes van het nazisme school in de belofte dat er een plek was voor alle Duitsers aan de bovenkant van de sociale hiërarchie, puur bij de gratie van het onderdeel zijn van een superieur ras. Iedereen die viel onder het construct ‘Arisch’ kreeg daarmee toegang tot de heersende klasse. Toen in Europa het fascisme op die manier de massa wist te mobiliseren, was witte overheersing zowel praktijk als wet in Amerika, het machtigste land ter wereld. ‘Er is momenteel één staat die in ieder geval het voorzichtige begin heeft gemaakt van een betere orde’, schreef Adolf Hitler.

Niemand zal het Amerika waar Hitler destijds over schreef een ‘fascistische staat’ noemen, net zoals het raar zou zijn om het huidige Amerika, in zijn statelijke diversiteit en met zijn liberaal-democratische geloofsbrieven, als een fascistische staat te omschrijven. Of met Trump als president ‘it’ nu plaatsvindt, is een vraag die van waakzaamheid getuigt, maar die moet worden beantwoord met een duidelijke, en liefst volledige, definitie van wat ‘it’ is. In ieder geval hoort daar een destructieve raciale belofte bij die in de VS tot diep in de vorige eeuw juridisch werd gesanctioneerd, die de nationaal-socialisten inspireerde, en waar Trump nu mee speelt.

Read More




Leave A Comment

More News

TROUW: Home

De Groene Amsterdammer

VK: Home

PAROOL: Home

NU - Algemeen

RTV Noord: Het laatste

Disclaimer and Notice:WorldProNews.com is not the owner of these news or any information published on this site.